Recensies

  1. Piet Hein van Kempen bespreekt: The Topeka School

    Piet Hein van Kempen bespreekt: The Topeka School

    Ben Lerner, The Topeka School / Leerjaren in Topeka

    Aan het begin van het boek is de dan zeventienjarige hoofdpersoon Adam Gordon de weg in het donker van de nacht kwijt. Die verontrustende situatie is metaforisch voor de situatie waarin de Verenigde Staten zich maatschappelijk bevindt in het Trumptijdperk, wat tevens de tijdsperiode is van waaruit het veellagige verhaal vanuit de verschillende perspectieven van Adam, zijn vader Jonathan en zijn moeder Jane wordt verteld. De meeste gebeurtenissen spelen zich af rond 1996, wanneer Adam als laatstejaars scholier een van de beste op nationale debatwedstrijden is en de liberale psychologen Jonathan en Jane een gespannen huwelijk doormaken en bij de Foundation werken, maar voor hun geschiedenis wordt soms ook terug gereikt naar de jaren vijftig, zestig en tachtig. Daardoor krijgen gebeurtenissen en vooral de psychologie en het intellectualisme van Jonathan en Jane context en verklarende diepgang. Een nog weer andere laag in het boek is dat het een heel scala aan grote thema’s door laat klinken. Het is knap hoe Ben Lerner hetgeen de hoofdpersonen meemaken, voelen en vertellen, weet te gebruiken om kleur en inhoud aan die thema’s te geven. Juist daarmee blijft het boek ook mooi klein.

    Een van de belangrijkste thema’s komt naar voren in de stukken waarin Jane vertelt – in mijn ogen is zij zonder meer de meest interessante figuur in het boek. Uit haar verhaal blijkt niet alleen van kracht en kwetsbaarheid, het laat vooral subtiel zien hoe vaak denigrerend met vrouwen wordt omgegaan en bijvoorbeeld ook hoe het hebben van een succesvolle carrière voor vrouwen in bepaalde opzichten moeilijker is, zowel door de opstelling van mannen als andere vrouwen. Zo zegt haar vriendin Sima: “Jane, you’re making too much of this; we’ve just distanced a little since you’ve become so busy with your career”. Een ander groot thema is de kracht van taal en speech. Deze kunnen prachtig en uitdrukkingen van humaniteit zijn, maar ook ontregelend en onwaarachtig. Zo past een tegenstander van Adam tijdens een debat de zogenoemde “spread” toe: “The key was to be a bully, quick and vicious and ready to spread an interlocutor with insults at the smallest provocation.” Hier is de “spread” uiteraard de metafoor voor het huidige politieke debat in Amerika en wellicht ook daarbuiten, zoals elders in het boek de door de Nazi’s omarmde “World Ice Theory” (“Welteislehre”) het misbruik door regeringsleiders van fake news representeert. Lerner zet de thema’s en de ontwikkeling ervan in de tijd door schilderijen, boeken, films, muziek en bekende personen – zoals Ronald Reagan, Bill Clinton, Bob Dole, de beruchte homoseksuelen hatende familie Phelps, Oprah, Barack Obama en Donald Trump – soepel in het verhaal te verwerken. Gaandeweg zien vooral Jane en Adam in dat het liberalisme in gevaar is en dat het einde van de geschiedenis (Francis Fukuyama; in het boek niet genoemd, maar naar ik aanneem wel bedoeld) verder uit zicht raakt. De slotscenes van het boek – kinderen op een glijbaan en de politie bij een betoging – benadrukken dat sterk.

    The Topeka School is naar mijn idee een goed geschreven en origineel boek. Een boek ook dat tot verder denken uitdaagt, maar dat niet steeds gemakkelijk is. Dat komt niet alleen door de veellagigheid ervan, ook de structuur draagt daaraan bij. Daarnaast valt soms alleen indirect of door passages veel verderop in het boek vast te stellen wanneer een gebeurtenis zich afspeelt. Bovendien wisselt het vertellersperspectief en daarmee de stijl en psychologie van de verteller tussen de hoofdstukken, die grotendeels om en om betrekking hebben op Adam, Jonathan en Jane. Omdat het boek zo rijk is aan thema’s, nodigt het zeer uit tot verdere discussie. Ook daarom beveel ik het aan.

    Piet Hein van Kempen (14 november 2020)

    Lees meer »
  2. Paul van Tongeren recenseert Mijn lieve gunsteling

    Paul van Tongeren recenseert Mijn lieve gunsteling

    Marieke Lucas Rijneveld, Mijn lieve gunsteling

     

    Binnen twee jaar na haar eerste roman, waarmee Marieke Lucas Rijneveld (geb. 1991) als jongste auteur ooit en als eerste Nederlandse auteur de International Booker Prize van 2020 won, heeft ze een tweede grote en grootse roman gepubliceerd. Er is al veel over geschreven – de kritieken zijn opnieuw lovend. Wat kan daaraan worden toegevoegd?

    Het is inderdaad opnieuw een magistrale roman, die de lezer vasthoudt maar tege­lij­ker­tijd ook afstoot; een roman over een liefde die zowel vertederend als huiveringwekkend, wreed en smerig is. Bijna 400 bladzijden lang is dezelfde persoon aan het woord, een veearts die vertederd raakt door een jong meisje op een van de boerderijen waar hij komt, die mede vanwege calamiteiten die zich voordoen in haar gezin en het bedrijf van haar vader, bezorgd is om haar welzijn, die terwijl hij zich om haar bekommert, langzamerhand – of eigenlijk al vrij snel – hartstochtelijk verliefd op haar wordt, steeds vaker haar bezoekt, haar meeneemt, deels meegaat in haar fantasieën, deels die probeert te sturen, die haar steeds intiemer aan­raakt, haar inwijdt in de seksualiteit en haar uiteindelijk verkracht, waarbij het meisje zelf een tamelijk passieve rol lijkt te vervullen. Dat hij zijn eigen zoon een tijdje met het meisje laat scharrelen, en ook anderszins zijn eigen gezin en huwelijk overhoop haalt door zijn verliefd­heid maakt het allemaal nog schrijnender. Over dat alles vertelt de veearts in de eerste per­soon enkel­voud. De lezer komt nooit buiten het hoofd van de verteller. Zijn woorden zijn voornamelijk gericht aan het meisje zelf, die hij aanspreekt als zijn ‘lieve gunsteling’, zijn ‘hemelse uitverkorene’, ‘praaldier’ en met nog veel meer van dergelijke woorden. Maar in toenemende mate blijken er nog andere adressanten van zijn woorden te zijn: de magistraten, de rechters voor wie hij uiteindelijk zal moeten verschijnen, als alles aan het licht gekomen is.

    Inderdaad: Nabokovs Lolita klinkt voortdurend mee, net als veel andere meer of min­der ‘grote’ literatuur. Soms wordt die expliciet genoemd (de veearts leest haar voor uit Gerard Reve’s Lieve jongens, citaten uit Proust en Emily Brontë worden vermeld in de verantwoor­ding), vaak blijft de verwijzing ook impliciet. Ook songteksten uit de muziek van rond de vorige eeuwwisseling (Leonard Cohen, Kurt Cobain en andere) maken deel uit van de vele intertekstuele lagen van de roman. Temidden van die lagen vinden we overigens ook de eerste roman van de schrijfster zelf. De boerderij, het meisje en de veearts herkennen we onmiddel­lijk. Maar tegelijk zijn ze niet helemaal hetzelfde. Net als in de eerste roman is een broer over­leden en is de moeder afwezig, maar opnieuw: op een andere manier dan eerst. Het meisje dat in de eerste roman het perspectief bepaalt is wel en niet dezelfde die vanuit het perspectief van de veearts bekeken en aangeschreven wordt. Het meisje uit de eerste roman fantaseert over ondergedoken Joden, deze uit de tweede roman spreekt ’s nachts regelmatig met Hitler en met Freud). Een van de redenen waarom Marieke Lucas Rijneveld niet te vergelijken is met andere beginnende schrijvers die hun eigen leven als materiaal nemen, is de wijze waarop en de mate waarin zij autobiografie tot fictie weet te maken. Recensenten die zich in de eerste roman stoorden aan volgens hen niet kloppende zaken (de leeftijd van het meisje past niet bij de taal die ze gebruikt of de gedachten die ze heeft) zullen hopelijk in deze tweede roman ont­dekken dat dat precies een van de manieren is waarop de schrijfster duidelijk maakt dat het hier om fictie gaat.

    Maar het meest bijzondere aan deze roman is, meer nog dan in de eerste, de taal waar­in hij geschreven is. Er zijn 42 hoofdstukken, maar geen alinea’s in het boek. De zinnen zijn soms pagina’s lang. En toch leest het als de muziek van Bach: eindeloos voortdansend zonder dat het ooit ondoorzichtig wordt. Het is taal die je bijna vanzelf hardop gaat lezen. Zoals je bij Couperus soms kunt genieten van het ritme van de soms zelf bedachte woorden en de orde waarin ze geplaatst zijn terwijl je bijna vergeet in je op te nemen wat ze vertellen, zo over­kwam het mij ook in dit boek. Het boek leest als poëzie.

    Paul van Tongeren

    Lees meer »
  3. Margot van Mulken bespreekt: De avond is ongemak

    Margot van Mulken bespreekt: De avond is ongemak

    Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

    Een meisje van een jaar of 10-12 - ze noemen haar Jas omdat ze haar jas niet meer uitdoet - beschrijft haar eigen ontreddering en die van haar streng gereformeerde gezin na de dood van haar broertje, dat bij het schaatsen naar de overkant onder het ijs terecht is gekomen.
    De eerste lezing heb ik niet volbracht. Ik heb het boek geïrriteerd terzijde gelegd: wat daar stond klopte niet, het stikte van de inconsistenties en onwaarschijnlijkheden. Het is niet mogelijk om een jas twee jaar aan te hebben, trouwens, de hoofdrolspeelster draagt ook pyjama’s en zwemkleding. Het meisje poept niet en verwondt zichzelf – ze prikt een punaise in haar navel - en dat zou twee jaar duren? Zonder zichtbare verergering? En het onvergeeflijkst: het meisje denkt als een kind, kijkt als een volwassene, schrijft als een dichter en verwoordt dat in een mengsel van de Statenvertaling, pathetische metaforiek en kinderlijke verwondering.
    Het is onduidelijk, vaag, fuzzy, onaf, tegenstrijdig en onlogisch. Kortom. Ik was teleurgesteld.

    Bij de tweede lezing besloot ik mijn ogen te sluiten voor Rijnevelds inconsistentie, en te kijken naar wat er ook staat. Rijneveld is een groot bewonderaar van Wolkers, dat zie je aan het onderwerp (de dood van een broer), aan de heftigheid van het drama en aan de voorliefde voor gereformeerde treurigheid. Het boek vermengt de retoriek van kerkelijke gestrengheid, de statenvertaling[1], het armoedige boerenleven (tweedehands brood, geen geld voor nieuwe kleren) met die van een modern jong kind, dat verliefd is op Boudewijn de Groot, dat gelooft in Dieuwertje Blok, en dat ribbeltjeschips eet en Duopenotti. Als er geen geld is om vers brood te kopen, dan zou er ook geen geld moeten zijn voor HAK-groente. En toch staat de kelder daar vol mee, althans, als de Joden de blikken niet opgegeten hebben. Ook dat is opmerkelijk, het meisje blijft denken dat er Joden in de kelder verstopt zitten.
    De kinderen zien hun ouders kwijnen, en ontsporen zelf door taboes te verkennen enkel om liefde en aandacht af te dwingen: ze spelen seksspelletjes, ze mishandelen dieren en kinderen. Ze spelen Hitlertje, ze spelen pedofieletje. Jas probeert de chaos te bezweren door de dingen in haar jaszakken te bewaren en zo te beschermen. Padden, kaasboortjes, zilverpapiertjes van chocoladen kikkers. Het meisje vult haar jaszakken met herinneringen. Net als de punaise die ze in zichzelf prikt: zoals ansichtkaarten op prikborden verwijzingen zijn naar mooie verre oorden, zo wil het meisje ook een bestemming in de toekomst zijn.

     ‘Ooit wil ik naar mezelf toe,’ zeg ik zachtjes en duw de punaise door het zachte vlees van mijn navel. Ik bijt op mijn lip om geen geluid te maken, een stroompje bloed loopt richting de band van mijn onderbroek, trekt daar in de stof. 

    Je merkt dat de schrijver er plezier in had metaforen zo te construeren dat de ene wonderlijke vergelijking over de andere tuimelt, en alle aandacht van de lezer opslurpt, met als gevolg dat de verhaallijn (beperkt), de ontwikkeling in het meisje (afwezig) en een consequente stijlvoering versluierd blijven. Zijn ze er überhaupt wel?
    Ik vermoed dat de onduidelijkheid en de vermenging van tijden en stijlen opzet zijn, zoals de schrijver zelf ook weigert te kiezen tussen man of vrouw. Ik houd vooral van de lichtheid die soms boven komt drijven. Zo speelt Jas regelmatig met de zwartekousenretoriek van het gereformeerde leven: ‘Is dit ons oorspronkelijke bestaan, of wacht er ergens op aarde nog een ander leven dat net zo goed om ons heen past als mijn jas?’ En: ‘Als ik nu in mijn neus ga peuteren komt mijn snot er zwart uit, dat veeg ik dan af aan mijn broek, ik durf het niet op te eten uit angst dat ik er ziek van word en tot stof zal wederkeren.’ En: ‘Ik zet het schaaltje met de aardbeien voor ze neer op het dressoir, naast de opengeslagen Statenvertaling, voor het geval moeder honger krijgt na het paren en eindelijk weer wil eten.’ Dit soort stijlclashes zijn vermakelijk.

    Aan het eind van het boek, na de doodskreten van de haan (!) die ze samen met haar broer vermoordt, doet ze haar jas uit, en kruipt in de vrieskist. Prompt schrijft Rijneveld onmogelijke dingen, zoals dat Jas ‘de punaise door haar jas heen voelt prikken’ en dat ‘ze het ijs [voelt] aan de zijkanten van de vriezer.’ Dat kan natuurlijk niet. Als je in de vriezer zit, kun je niet voelen wat erbuiten zit. Als de punaise in je navel zit, zit die niet buiten je jas. De binnenkant is buitenkant geworden. De punaise prikt niet meer bij haar naar binnen, maar prikt vanuit haar naar buiten. Dat kan niet maar het kan toch: het meisje verdwijnt, alles bevriest, en alles blijft zoals het was. Ze gaat naar haar broertje, naar Mattias, dat klinkt als Messias. Ze prikt alles vast. Ze sterft een christusdood, doordat de punaise, de spijker, vanuit haar buik, in wezen het hele boerenleven vastnagelt, vastvriest, vastlegt.

    November 2020

    Margot van Mulken


    [1] Maar is het wel echt de Statenvertaling? Zie de opmerkingen van Peter Nissen.

    Lees meer »
  4. Paul van Tongeren bespreekt: De laatste zomer in de stad

    Paul van Tongeren bespreekt: De laatste zomer in de stad

    Gianfranco Calligarich, De laatste zomer in de stad.

    Naarmate ik dit boek vaker lees, valt het me moeilijker er iets over te zeggen. Het verhaal is gemakkelijk na te vertellen: de ik-figuur vertrekt rond zijn dertigste uit Milaan, waar hij nog bij zijn ouders woonde (vader postzegelhandelaar, zussen die netjes getrouwd zijn met kantoorklerken, kortom een tuttig gezin) naar Rome, waar hij een leven leidt vol van drank en vrouwen, nu en dan wat geld verdienend op de redactie van de Corriere dello Sport. Hij wordt verliefd op een vrouw die nogal hysterisch is, die hem verbiedt te spreken over liefde en hem slechts mondjesmaat toelaat, waardoor hij in gezelschap van een nog alcoholistischer vriend nog verder verloedert, tot die vriend sterft en hij in elkaar stort. Hij stopt met drinken, en krijgt van de vrouw, die inmiddels een andere partner heeft, te horen dat ze altijd het meest van hem gehouden heeft en hij ontdekt dat zij alleen de zijne kon zijn nu “ze van een ander was”. Hoe het afloopt zal ik niet verklappen voor wie het nog niet gelezen heeft. Tot zover zou je het boek inderdaad kunnen afdoen als “Boris Vian apres la lettre” of als een “deeltje bouquetreeks voor intellectuelen” om mijn collega-Lezers te citeren.

    Maar bij herlezing zie ik er steeds meer in, hoewel ik van al dat meerdere nog niet echt een samenhangend verhaal kan maken. Ik noem een paar dingen: Hoewel het einde van het boek een definitief einde suggereert, lijkt het begin van het boek erop aan te sluiten: alsof het verhaal steeds opnieuw moet beginnen, alsof het een cirkel vormt die geen begin en einde heeft. Die cirkelstructuur wordt op allerlei manieren versterkt: behalve de zee aan begin en eind, staat ook Milaan aan beide uitersten van het boek; ook keren de eigenlijke eigenaren van de woning waarin de hoofdpersoon gedurende het verhaal verblijft aan het eind van het boek terug van de reis waarvoor ze aan het begin vertrokken. En zo zijn er meer elementen die het beeld van een cirkel oproepen. Is het een beeld van de vicieuze cirkel, die staat voor de zinloosheid?

    Voorts: de hoofdpersoon is ondanks zijn wat liederlijke levenswijze een fervente lezer. Hij heeft steeds een of meer boeken bij zich en als hij niet zit te drinken of ligt te vrijen, leest hij een boek. Veel van de boeken die hij leest of heeft worden genoemd met de titel of de naam van de auteur. Ook in het contact met de fatale vrouw speelt een boek (Du coté de chez Swann van Proust) voortdurend een rol, ook al is niet steeds duidelijk welke. Maar bovendien herken je sommige scènes als “citaten” uit de wereldliteratuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor het madeleine-cakeje uit een ander deel van Prousts Al la recherche, maar ook uit de scène met de (bijna) omgegooide vaas uit Dostojevski’s Idioot. Wie al die boeken kent die al of niet expliciet genoemd worden herkend waarschijnlijk nog veel meer citaten. Zijn die vertoon van eruditie of doen ze iets met het verhaal?

    Dan is er de analogie die zich opdringt tussen de (liefde voor) Arianna en (die voor) de stad Rome. Beide zijn geliefden die zich niet gemakkelijk geven, die vaak ook lelijke of pijnlijke kanten laten zien, en die je nooit voor jezelf alleen hebt maar die altijd ook van een of meer anderen zijn. De dubbelzinnige aantrekkingskracht van zowel de stad als de vrouw worden sterk verbeeld. Is de stad een beeld voor de vrouw? Of andersom? Of beide?

    Misschien zijn het dit soort elementen die – naast het taalgebruik dat virtuoos is (dat valt vooral op als je het in het Italiaans probeert te lezen en merkt hoe arm je woordenschat is, of hoe rijk die van de auteur) – verklaren waarom dit boek uit 1973 (!) na een groot succes in het begin, eerst geheel vergeten raakte, toen weer in kleinere kringen uitgroeide tot een cultboek en in roofdrukken begon te verschijnen, totdat het in 2016 bij een andere uitgever opnieuw verscheen en wederom populair werd en in vele talen vertaald.

    Ik houd me aanbevolen voor ervaringen van andere lezers, lezers die het boek zeker verdient.

    Paul van Tongeren

    Lees meer »
  5. Recensie Vergeten Volkeren | Riet de Jong-Goossens

    Recensie Vergeten Volkeren | Riet de Jong-Goossens

    Philip Matyszak

     

    VERGETEN VOLKEREN

     

    We leven in turbulente tijden, dat valt niet te ontkennen. Oorlog alom, natuurrampen, vreselijke branden, opstanden in sommige landen, en, tot overmaat van ramp ook nog covid 19. 

    En het is niet te geloven: maar het is altijd zo geweest! In Wouters winkel vonden we een prachtig boek van de Amerikaanse hoogleraar Philip Matyszak met de titel VERGETEN VOLKEREN, met als ondertitel: Verloren culturen op de kaart gezet.

    In dit boek gaat het vooral om landen rond de Middellandse Zee, het huidige Europa en het nabije Oosten. De auteur vertelt over  een groot aantal volkeren dat verloren is gegaan en deelt ze in in vier periodes: De eerste twee voornamelijk voor Christus, de derde een periode voor en na Chr. En de vierde n. Chr. Van deze periode vinden we het een en ander terug in onze geschiedenislessen op school, voor zover we ons dat nog kunnen herinneren.

    De meeste volkeren zijn uiteindelijk verdwenen door een proces van integratie en assimilatie, maar er is ook heel wat strijd gevoerd. Aanvankelijk met primitieve middelen, maar de geheimzinnige Hyksos bijvoorbeeld, die lang voor Chr. leefden, bezaten al strijdwagens, maliënkolders en bronzen wapens.

    Dat die oude geschiedenis zo secuur beschreven kan worden komt doordat de moderne wetenschap door onderzoek van de aarde op de grond precies kan bepalen waar en wanneer er strijd is geleverd.

    Het boek is voorzien van prachtige illustraties, vanaf de vroegste perioden, en bij bijna elk hoofdstuk staat een item vermeld dat een link legt tussen de oude tijd en onze huidige tijd. Zoals bijvoorbeeld het begrip ‘de Gordiaanse knoop’ doorgehakt door Alexander de Grote. De naam is afkomstig van de stad Gordium, gelegen in het westelijke deel van de Anatolische hoogvlakte, het gebied van de Frygiërs. Zo’n lange tijd kan een begrip blijven bestaan!

    De schrijver is een geweldige stylist, die zijn enorme kennis in aangename taal kan overbrengen.

    Het is een fantastisch boek en ik wens iedereen die het gaat lezen veel aangename uren!

     

    Riet de Jong-Goossens.

    Lees meer »
  6. Paul van Tongeren recenseert: 'Wat op het spel staat' van Cyril Lansink

    Paul van Tongeren recenseert: 'Wat op het spel staat' van Cyril Lansink
    Soms zeggen naam en faam van de uitgever iets over de kwaliteit van de boeken die ze uitgeven, maar dat is zeker niet altijd het geval. Uitgevers durven soms geen risico te nemen of vragen hoge bedragen van nog onbekende auteurs. Soms verschijnen er daarom bij onbekende uitgevers of ‘in eigen beheer’ boeken die niettemin van bijzondere kwaliteit zijn. Dat geldt zeker ook voor dit boek.

    De auteur promoveerde in 1997 op een mooi proefschrift over ironie bij Kierkegaard (Vrijheid en ironie. Kierkegaards ethiek van de zelfwording. Leuven: Peeters 1997), maar publiceerde daarna nog slechts korte artikelen in kranten en bladen. Nu heeft hij een aantal van die stukken herwerkt tot een samenhangende bundel, die een groter publiek verdient. Lansink verstaat de kunst om belangrijke filosofische thema’s op een lichtvoetige manier aan de orde te stellen. Thema’s als de vrije wil, de redelijkheid van emoties, het verlangen naar geluk, het verschil tussen nut en betekenis, de betekenis van erkenning, de ervaring van verveling, de betekenis van religie en vele andere, worden beschreven in fraaie en altijd glasheldere taal. In zijn essays toont Lansink hoe trage aandacht hem tot scherpe observaties heeft gebracht. Die observaties weet hij vervolgens te verbinden met fijnzinnige reflecties, die vaak vaak gevoed blijken door de lectuur van een wijsgerige of literaire tekst. Zijn boek vormt zelf een goed voorbeeld van wat hij – met Patricia De Martelaere – beschrijft als een prijzenswaardige (en benijdenswaardige) ‘wereldvreemdheid’: door te spelen met taal slaagt hij erin zich te onttrekken aan de gangbare door nut, noodzaak en behoefte gekleurde manier waarop we de dingen en het doen en laten van onszelf en van de mensen om ons heen doorgaans beschouwen, en bevrijdt hij zodoende de wereld tot een soort ‘vreemdheid’ die haar op een oorspronkelijker wijze zichtbaar maakt. 

    Als filosofie de taak heeft om ‘de fenomenen te redden’, dan toont dit boek wat filosofie is. Niet met allerlei geleerdheid, niet door scherpzinnige discussies met andere filosofen, maar door beschrijvingen die de dingen en onze eigen ervaring weten te belichten op een manier die ze daadwerkelijk ‘ter sprake brengt’, dat wil zeggen: doet spreken. Daarom is dit boek misschien wel een betere inleiding tot de filosofie, dan al die boeken die ‘over’ filosofen en filosofische theorieën handelen. Hier wordt metterdaad gefilosofeerd, en wel over een onderwerp dat iedereen wel moet interesseren, namelijk: het eigen leven.

    Paul van Tongeren is emiritus hoogleraar Wijsgerige Ethiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het boek is voor €19,95 verkrijgbaar in onze boekhandel en op onze website.

    Lees meer »
  7. Recensie Riet de Jong: Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen

    Recensie Riet de Jong: Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen

    Riet de Jong schreef deze mooie recensie over een van de lievelingsboeken van Wouter:

    De grote angst in de bergen

    Hoewel tegenwoordig veel bewoners van de lage landen hun vakantie doorbrengen in de bergen, is de aantrekkingskracht die deze landschappen op hen uitoefenen toch niet te vergelijken met wat de bergbewoners ervaren. Wij gaan voor het plezier, voor de sport, de sneeuw, de schoonheid van de bergen.

    Maar de Zwitserse schrijver Ramuz keek heel anders naar het landschap van zijn vaderland. En aan zijn fantasie en schrijftalent hebben we deze aangrijpende roman te danken.

    Want bergen kunnen ook bedreigend en angstaanjagend zijn. Er spelen zich daar boven gebeurtenissen af, waar de mensen slachtoffer van worden.

    In deze roman gaat het om Sasseneire, een alpenweide vlak onder een gletsjer waar twintig jaar geleden angstaanjagende voorvallen plaats vonden met rampzalige gevolgen. Twintig jaar lang hielden de dorpelingen zich verre van Sasseneire. Maar intussen is er een nieuwe generatie opgegroeid en lokt de welige alpenweide. De mensen in het dorp zijn arm, ze moeten leven van de melk en de kaas van hun kuddes en beneden in het dal staat het gras er armetierig bij. Dus wordt er in de gemeenteraad gestemd en de jongeren winnen: er wordt besloten dat er zeven dorpelingen met de kudde naar boven zullen trekken. Vrijwilligers bieden zich aan, er worden voorbereidingen getroffen en op een zonnige ochtend vertrekken mens en dier.

    En na een hoopvolle wandeling naar de hut en de weide en een harmonieuze start begint de ramp zich te voltrekken. Met toenemende intensiteit. Onvoorstelbaar hoe bedreigend bergen kunnen zijn. En U, beste lezer, kunt het boek niet meer wegleggen. Helaas, een happy end doet zich hier niet voor.

    Desondanks biedt de roman u zoveel leesplezier, dat u het met spijt weg zult leggen.

    Lees meer »
Pagina
  • Gratis verzending bij bestellingen boven de € 49,-
  • Eerste boek gratis bij boeken onder de € 10,-
  • Niet goed geld terug garantie 024-3221734
  • Vertel je vrienden over Roelants en ontvang € 5,-
Boekhandel Roelants
Locatie

Boekhandel Roelants [Voorheen De Oude Mol]
Van Broeckhuysenstraat 34
6511 PJ  Nijmegen

roelants@roelants.nl
024-3221734