Paul van Tongeren recenseert Mijn lieve gunsteling

Marieke Lucas Rijneveld, Mijn lieve gunsteling

 

Binnen twee jaar na haar eerste roman, waarmee Marieke Lucas Rijneveld (geb. 1991) als jongste auteur ooit en als eerste Nederlandse auteur de International Booker Prize van 2020 won, heeft ze een tweede grote en grootse roman gepubliceerd. Er is al veel over geschreven – de kritieken zijn opnieuw lovend. Wat kan daaraan worden toegevoegd?

Het is inderdaad opnieuw een magistrale roman, die de lezer vasthoudt maar tege­lij­ker­tijd ook afstoot; een roman over een liefde die zowel vertederend als huiveringwekkend, wreed en smerig is. Bijna 400 bladzijden lang is dezelfde persoon aan het woord, een veearts die vertederd raakt door een jong meisje op een van de boerderijen waar hij komt, die mede vanwege calamiteiten die zich voordoen in haar gezin en het bedrijf van haar vader, bezorgd is om haar welzijn, die terwijl hij zich om haar bekommert, langzamerhand – of eigenlijk al vrij snel – hartstochtelijk verliefd op haar wordt, steeds vaker haar bezoekt, haar meeneemt, deels meegaat in haar fantasieën, deels die probeert te sturen, die haar steeds intiemer aan­raakt, haar inwijdt in de seksualiteit en haar uiteindelijk verkracht, waarbij het meisje zelf een tamelijk passieve rol lijkt te vervullen. Dat hij zijn eigen zoon een tijdje met het meisje laat scharrelen, en ook anderszins zijn eigen gezin en huwelijk overhoop haalt door zijn verliefd­heid maakt het allemaal nog schrijnender. Over dat alles vertelt de veearts in de eerste per­soon enkel­voud. De lezer komt nooit buiten het hoofd van de verteller. Zijn woorden zijn voornamelijk gericht aan het meisje zelf, die hij aanspreekt als zijn ‘lieve gunsteling’, zijn ‘hemelse uitverkorene’, ‘praaldier’ en met nog veel meer van dergelijke woorden. Maar in toenemende mate blijken er nog andere adressanten van zijn woorden te zijn: de magistraten, de rechters voor wie hij uiteindelijk zal moeten verschijnen, als alles aan het licht gekomen is.

Inderdaad: Nabokovs Lolita klinkt voortdurend mee, net als veel andere meer of min­der ‘grote’ literatuur. Soms wordt die expliciet genoemd (de veearts leest haar voor uit Gerard Reve’s Lieve jongens, citaten uit Proust en Emily Brontë worden vermeld in de verantwoor­ding), vaak blijft de verwijzing ook impliciet. Ook songteksten uit de muziek van rond de vorige eeuwwisseling (Leonard Cohen, Kurt Cobain en andere) maken deel uit van de vele intertekstuele lagen van de roman. Temidden van die lagen vinden we overigens ook de eerste roman van de schrijfster zelf. De boerderij, het meisje en de veearts herkennen we onmiddel­lijk. Maar tegelijk zijn ze niet helemaal hetzelfde. Net als in de eerste roman is een broer over­leden en is de moeder afwezig, maar opnieuw: op een andere manier dan eerst. Het meisje dat in de eerste roman het perspectief bepaalt is wel en niet dezelfde die vanuit het perspectief van de veearts bekeken en aangeschreven wordt. Het meisje uit de eerste roman fantaseert over ondergedoken Joden, deze uit de tweede roman spreekt ’s nachts regelmatig met Hitler en met Freud). Een van de redenen waarom Marieke Lucas Rijneveld niet te vergelijken is met andere beginnende schrijvers die hun eigen leven als materiaal nemen, is de wijze waarop en de mate waarin zij autobiografie tot fictie weet te maken. Recensenten die zich in de eerste roman stoorden aan volgens hen niet kloppende zaken (de leeftijd van het meisje past niet bij de taal die ze gebruikt of de gedachten die ze heeft) zullen hopelijk in deze tweede roman ont­dekken dat dat precies een van de manieren is waarop de schrijfster duidelijk maakt dat het hier om fictie gaat.

Maar het meest bijzondere aan deze roman is, meer nog dan in de eerste, de taal waar­in hij geschreven is. Er zijn 42 hoofdstukken, maar geen alinea’s in het boek. De zinnen zijn soms pagina’s lang. En toch leest het als de muziek van Bach: eindeloos voortdansend zonder dat het ooit ondoorzichtig wordt. Het is taal die je bijna vanzelf hardop gaat lezen. Zoals je bij Couperus soms kunt genieten van het ritme van de soms zelf bedachte woorden en de orde waarin ze geplaatst zijn terwijl je bijna vergeet in je op te nemen wat ze vertellen, zo over­kwam het mij ook in dit boek. Het boek leest als poëzie.

Paul van Tongeren