Margot van Mulken bespreekt: De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

Een meisje van een jaar of 10-12 - ze noemen haar Jas omdat ze haar jas niet meer uitdoet - beschrijft haar eigen ontreddering en die van haar streng gereformeerde gezin na de dood van haar broertje, dat bij het schaatsen naar de overkant onder het ijs terecht is gekomen.
De eerste lezing heb ik niet volbracht. Ik heb het boek geïrriteerd terzijde gelegd: wat daar stond klopte niet, het stikte van de inconsistenties en onwaarschijnlijkheden. Het is niet mogelijk om een jas twee jaar aan te hebben, trouwens, de hoofdrolspeelster draagt ook pyjama’s en zwemkleding. Het meisje poept niet en verwondt zichzelf – ze prikt een punaise in haar navel - en dat zou twee jaar duren? Zonder zichtbare verergering? En het onvergeeflijkst: het meisje denkt als een kind, kijkt als een volwassene, schrijft als een dichter en verwoordt dat in een mengsel van de Statenvertaling, pathetische metaforiek en kinderlijke verwondering.
Het is onduidelijk, vaag, fuzzy, onaf, tegenstrijdig en onlogisch. Kortom. Ik was teleurgesteld.

Bij de tweede lezing besloot ik mijn ogen te sluiten voor Rijnevelds inconsistentie, en te kijken naar wat er ook staat. Rijneveld is een groot bewonderaar van Wolkers, dat zie je aan het onderwerp (de dood van een broer), aan de heftigheid van het drama en aan de voorliefde voor gereformeerde treurigheid. Het boek vermengt de retoriek van kerkelijke gestrengheid, de statenvertaling[1], het armoedige boerenleven (tweedehands brood, geen geld voor nieuwe kleren) met die van een modern jong kind, dat verliefd is op Boudewijn de Groot, dat gelooft in Dieuwertje Blok, en dat ribbeltjeschips eet en Duopenotti. Als er geen geld is om vers brood te kopen, dan zou er ook geen geld moeten zijn voor HAK-groente. En toch staat de kelder daar vol mee, althans, als de Joden de blikken niet opgegeten hebben. Ook dat is opmerkelijk, het meisje blijft denken dat er Joden in de kelder verstopt zitten.
De kinderen zien hun ouders kwijnen, en ontsporen zelf door taboes te verkennen enkel om liefde en aandacht af te dwingen: ze spelen seksspelletjes, ze mishandelen dieren en kinderen. Ze spelen Hitlertje, ze spelen pedofieletje. Jas probeert de chaos te bezweren door de dingen in haar jaszakken te bewaren en zo te beschermen. Padden, kaasboortjes, zilverpapiertjes van chocoladen kikkers. Het meisje vult haar jaszakken met herinneringen. Net als de punaise die ze in zichzelf prikt: zoals ansichtkaarten op prikborden verwijzingen zijn naar mooie verre oorden, zo wil het meisje ook een bestemming in de toekomst zijn.

 ‘Ooit wil ik naar mezelf toe,’ zeg ik zachtjes en duw de punaise door het zachte vlees van mijn navel. Ik bijt op mijn lip om geen geluid te maken, een stroompje bloed loopt richting de band van mijn onderbroek, trekt daar in de stof. 

Je merkt dat de schrijver er plezier in had metaforen zo te construeren dat de ene wonderlijke vergelijking over de andere tuimelt, en alle aandacht van de lezer opslurpt, met als gevolg dat de verhaallijn (beperkt), de ontwikkeling in het meisje (afwezig) en een consequente stijlvoering versluierd blijven. Zijn ze er überhaupt wel?
Ik vermoed dat de onduidelijkheid en de vermenging van tijden en stijlen opzet zijn, zoals de schrijver zelf ook weigert te kiezen tussen man of vrouw. Ik houd vooral van de lichtheid die soms boven komt drijven. Zo speelt Jas regelmatig met de zwartekousenretoriek van het gereformeerde leven: ‘Is dit ons oorspronkelijke bestaan, of wacht er ergens op aarde nog een ander leven dat net zo goed om ons heen past als mijn jas?’ En: ‘Als ik nu in mijn neus ga peuteren komt mijn snot er zwart uit, dat veeg ik dan af aan mijn broek, ik durf het niet op te eten uit angst dat ik er ziek van word en tot stof zal wederkeren.’ En: ‘Ik zet het schaaltje met de aardbeien voor ze neer op het dressoir, naast de opengeslagen Statenvertaling, voor het geval moeder honger krijgt na het paren en eindelijk weer wil eten.’ Dit soort stijlclashes zijn vermakelijk.

Aan het eind van het boek, na de doodskreten van de haan (!) die ze samen met haar broer vermoordt, doet ze haar jas uit, en kruipt in de vrieskist. Prompt schrijft Rijneveld onmogelijke dingen, zoals dat Jas ‘de punaise door haar jas heen voelt prikken’ en dat ‘ze het ijs [voelt] aan de zijkanten van de vriezer.’ Dat kan natuurlijk niet. Als je in de vriezer zit, kun je niet voelen wat erbuiten zit. Als de punaise in je navel zit, zit die niet buiten je jas. De binnenkant is buitenkant geworden. De punaise prikt niet meer bij haar naar binnen, maar prikt vanuit haar naar buiten. Dat kan niet maar het kan toch: het meisje verdwijnt, alles bevriest, en alles blijft zoals het was. Ze gaat naar haar broertje, naar Mattias, dat klinkt als Messias. Ze prikt alles vast. Ze sterft een christusdood, doordat de punaise, de spijker, vanuit haar buik, in wezen het hele boerenleven vastnagelt, vastvriest, vastlegt.

November 2020

Margot van Mulken


[1] Maar is het wel echt de Statenvertaling? Zie de opmerkingen van Peter Nissen.