Maandelijkse Archieven: November 2020

  1. Margot van Mulken bespreekt: De avond is ongemak

    Margot van Mulken bespreekt: De avond is ongemak

    Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

    Een meisje van een jaar of 10-12 - ze noemen haar Jas omdat ze haar jas niet meer uitdoet - beschrijft haar eigen ontreddering en die van haar streng gereformeerde gezin na de dood van haar broertje, dat bij het schaatsen naar de overkant onder het ijs terecht is gekomen.
    De eerste lezing heb ik niet volbracht. Ik heb het boek geïrriteerd terzijde gelegd: wat daar stond klopte niet, het stikte van de inconsistenties en onwaarschijnlijkheden. Het is niet mogelijk om een jas twee jaar aan te hebben, trouwens, de hoofdrolspeelster draagt ook pyjama’s en zwemkleding. Het meisje poept niet en verwondt zichzelf – ze prikt een punaise in haar navel - en dat zou twee jaar duren? Zonder zichtbare verergering? En het onvergeeflijkst: het meisje denkt als een kind, kijkt als een volwassene, schrijft als een dichter en verwoordt dat in een mengsel van de Statenvertaling, pathetische metaforiek en kinderlijke verwondering.
    Het is onduidelijk, vaag, fuzzy, onaf, tegenstrijdig en onlogisch. Kortom. Ik was teleurgesteld.

    Bij de tweede lezing besloot ik mijn ogen te sluiten voor Rijnevelds inconsistentie, en te kijken naar wat er ook staat. Rijneveld is een groot bewonderaar van Wolkers, dat zie je aan het onderwerp (de dood van een broer), aan de heftigheid van het drama en aan de voorliefde voor gereformeerde treurigheid. Het boek vermengt de retoriek van kerkelijke gestrengheid, de statenvertaling[1], het armoedige boerenleven (tweedehands brood, geen geld voor nieuwe kleren) met die van een modern jong kind, dat verliefd is op Boudewijn de Groot, dat gelooft in Dieuwertje Blok, en dat ribbeltjeschips eet en Duopenotti. Als er geen geld is om vers brood te kopen, dan zou er ook geen geld moeten zijn voor HAK-groente. En toch staat de kelder daar vol mee, althans, als de Joden de blikken niet opgegeten hebben. Ook dat is opmerkelijk, het meisje blijft denken dat er Joden in de kelder verstopt zitten.
    De kinderen zien hun ouders kwijnen, en ontsporen zelf door taboes te verkennen enkel om liefde en aandacht af te dwingen: ze spelen seksspelletjes, ze mishandelen dieren en kinderen. Ze spelen Hitlertje, ze spelen pedofieletje. Jas probeert de chaos te bezweren door de dingen in haar jaszakken te bewaren en zo te beschermen. Padden, kaasboortjes, zilverpapiertjes van chocoladen kikkers. Het meisje vult haar jaszakken met herinneringen. Net als de punaise die ze in zichzelf prikt: zoals ansichtkaarten op prikborden verwijzingen zijn naar mooie verre oorden, zo wil het meisje ook een bestemming in de toekomst zijn.

     ‘Ooit wil ik naar mezelf toe,’ zeg ik zachtjes en duw de punaise door het zachte vlees van mijn navel. Ik bijt op mijn lip om geen geluid te maken, een stroompje bloed loopt richting de band van mijn onderbroek, trekt daar in de stof. 

    Je merkt dat de schrijver er plezier in had metaforen zo te construeren dat de ene wonderlijke vergelijking over de andere tuimelt, en alle aandacht van de lezer opslurpt, met als gevolg dat de verhaallijn (beperkt), de ontwikkeling in het meisje (afwezig) en een consequente stijlvoering versluierd blijven. Zijn ze er überhaupt wel?
    Ik vermoed dat de onduidelijkheid en de vermenging van tijden en stijlen opzet zijn, zoals de schrijver zelf ook weigert te kiezen tussen man of vrouw. Ik houd vooral van de lichtheid die soms boven komt drijven. Zo speelt Jas regelmatig met de zwartekousenretoriek van het gereformeerde leven: ‘Is dit ons oorspronkelijke bestaan, of wacht er ergens op aarde nog een ander leven dat net zo goed om ons heen past als mijn jas?’ En: ‘Als ik nu in mijn neus ga peuteren komt mijn snot er zwart uit, dat veeg ik dan af aan mijn broek, ik durf het niet op te eten uit angst dat ik er ziek van word en tot stof zal wederkeren.’ En: ‘Ik zet het schaaltje met de aardbeien voor ze neer op het dressoir, naast de opengeslagen Statenvertaling, voor het geval moeder honger krijgt na het paren en eindelijk weer wil eten.’ Dit soort stijlclashes zijn vermakelijk.

    Aan het eind van het boek, na de doodskreten van de haan (!) die ze samen met haar broer vermoordt, doet ze haar jas uit, en kruipt in de vrieskist. Prompt schrijft Rijneveld onmogelijke dingen, zoals dat Jas ‘de punaise door haar jas heen voelt prikken’ en dat ‘ze het ijs [voelt] aan de zijkanten van de vriezer.’ Dat kan natuurlijk niet. Als je in de vriezer zit, kun je niet voelen wat erbuiten zit. Als de punaise in je navel zit, zit die niet buiten je jas. De binnenkant is buitenkant geworden. De punaise prikt niet meer bij haar naar binnen, maar prikt vanuit haar naar buiten. Dat kan niet maar het kan toch: het meisje verdwijnt, alles bevriest, en alles blijft zoals het was. Ze gaat naar haar broertje, naar Mattias, dat klinkt als Messias. Ze prikt alles vast. Ze sterft een christusdood, doordat de punaise, de spijker, vanuit haar buik, in wezen het hele boerenleven vastnagelt, vastvriest, vastlegt.

    November 2020

    Margot van Mulken


    [1] Maar is het wel echt de Statenvertaling? Zie de opmerkingen van Peter Nissen.

    Lees meer »
  2. Paul van Tongeren bespreekt: De laatste zomer in de stad

    Paul van Tongeren bespreekt: De laatste zomer in de stad

    Gianfranco Calligarich, De laatste zomer in de stad.

    Naarmate ik dit boek vaker lees, valt het me moeilijker er iets over te zeggen. Het verhaal is gemakkelijk na te vertellen: de ik-figuur vertrekt rond zijn dertigste uit Milaan, waar hij nog bij zijn ouders woonde (vader postzegelhandelaar, zussen die netjes getrouwd zijn met kantoorklerken, kortom een tuttig gezin) naar Rome, waar hij een leven leidt vol van drank en vrouwen, nu en dan wat geld verdienend op de redactie van de Corriere dello Sport. Hij wordt verliefd op een vrouw die nogal hysterisch is, die hem verbiedt te spreken over liefde en hem slechts mondjesmaat toelaat, waardoor hij in gezelschap van een nog alcoholistischer vriend nog verder verloedert, tot die vriend sterft en hij in elkaar stort. Hij stopt met drinken, en krijgt van de vrouw, die inmiddels een andere partner heeft, te horen dat ze altijd het meest van hem gehouden heeft en hij ontdekt dat zij alleen de zijne kon zijn nu “ze van een ander was”. Hoe het afloopt zal ik niet verklappen voor wie het nog niet gelezen heeft. Tot zover zou je het boek inderdaad kunnen afdoen als “Boris Vian apres la lettre” of als een “deeltje bouquetreeks voor intellectuelen” om mijn collega-Lezers te citeren.

    Maar bij herlezing zie ik er steeds meer in, hoewel ik van al dat meerdere nog niet echt een samenhangend verhaal kan maken. Ik noem een paar dingen: Hoewel het einde van het boek een definitief einde suggereert, lijkt het begin van het boek erop aan te sluiten: alsof het verhaal steeds opnieuw moet beginnen, alsof het een cirkel vormt die geen begin en einde heeft. Die cirkelstructuur wordt op allerlei manieren versterkt: behalve de zee aan begin en eind, staat ook Milaan aan beide uitersten van het boek; ook keren de eigenlijke eigenaren van de woning waarin de hoofdpersoon gedurende het verhaal verblijft aan het eind van het boek terug van de reis waarvoor ze aan het begin vertrokken. En zo zijn er meer elementen die het beeld van een cirkel oproepen. Is het een beeld van de vicieuze cirkel, die staat voor de zinloosheid?

    Voorts: de hoofdpersoon is ondanks zijn wat liederlijke levenswijze een fervente lezer. Hij heeft steeds een of meer boeken bij zich en als hij niet zit te drinken of ligt te vrijen, leest hij een boek. Veel van de boeken die hij leest of heeft worden genoemd met de titel of de naam van de auteur. Ook in het contact met de fatale vrouw speelt een boek (Du coté de chez Swann van Proust) voortdurend een rol, ook al is niet steeds duidelijk welke. Maar bovendien herken je sommige scènes als “citaten” uit de wereldliteratuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor het madeleine-cakeje uit een ander deel van Prousts Al la recherche, maar ook uit de scène met de (bijna) omgegooide vaas uit Dostojevski’s Idioot. Wie al die boeken kent die al of niet expliciet genoemd worden herkend waarschijnlijk nog veel meer citaten. Zijn die vertoon van eruditie of doen ze iets met het verhaal?

    Dan is er de analogie die zich opdringt tussen de (liefde voor) Arianna en (die voor) de stad Rome. Beide zijn geliefden die zich niet gemakkelijk geven, die vaak ook lelijke of pijnlijke kanten laten zien, en die je nooit voor jezelf alleen hebt maar die altijd ook van een of meer anderen zijn. De dubbelzinnige aantrekkingskracht van zowel de stad als de vrouw worden sterk verbeeld. Is de stad een beeld voor de vrouw? Of andersom? Of beide?

    Misschien zijn het dit soort elementen die – naast het taalgebruik dat virtuoos is (dat valt vooral op als je het in het Italiaans probeert te lezen en merkt hoe arm je woordenschat is, of hoe rijk die van de auteur) – verklaren waarom dit boek uit 1973 (!) na een groot succes in het begin, eerst geheel vergeten raakte, toen weer in kleinere kringen uitgroeide tot een cultboek en in roofdrukken begon te verschijnen, totdat het in 2016 bij een andere uitgever opnieuw verscheen en wederom populair werd en in vele talen vertaald.

    Ik houd me aanbevolen voor ervaringen van andere lezers, lezers die het boek zeker verdient.

    Paul van Tongeren

    Lees meer »
  • Gratis verzending bij bestellingen boven de € 49,-
  • Eerste boek gratis bij boeken onder de € 10,-
  • Niet goed geld terug garantie 024-3221734
  • Vertel je vrienden over Roelants en ontvang € 5,-
Boekhandel Roelants
Locatie

Boekhandel Roelants [Voorheen De Oude Mol]
Van Broeckhuysenstraat 34
6511 PJ  Nijmegen

roelants@roelants.nl
024-3221734