Column Ruud de Quay - Jazz en onvergetelheden: William Count Basie en de blauwe zee der swing.
26 maart 2012
(I)
Sommige muziekjes zijn zo onvergetelijk want zo simpel dat je ze achteraf testamentair ophangt: beladen met een half leven later is je dat inmiddels duidelijk: dat veel niets minder is –maar ook niet minder- dan eindelijk de swingslag van de blues. En of desondanks al die wijsheden snap je er nog steeds –en eigenlijk steeds minder- geen knars van.
Er zijn geen getuigen –behalve dan je eigen ongeloof- die dit kunnen bevestigen. Maar neem ik dat dan ook aan: dat er was ooit een dag was in mijn leven dat William “Count” Basie zich de zee die swing heet en daarmee uiteindelijk het DNA daarvan (de blues dus) bleek te smaken.
(II)
De bandleider en pianist William ‘Count’ Basie (21.viii.1904-26.iv.1984) stond aan de bakermat van de swing: die geboorde zich ergens nabij en rond Kansas City, ruim 80 jaar geleden. Basie vond daar ergens, te Kansas City, de kunst uit om met muziek de tijd stelpen. En omdat die tijd ook in mijn tijd een naam moest hebben noemden we dat Swing. Want wat dat is en hoe dat gaat, dat weet ik nog steeds niet : de tijd te ruimen en te velen of zo u wilt te benamen. Basie lukt het om het hemelse dus met een handvol aardvuur aan te wakkeren: toen ter tijd en telkens weer, nu zoveel jaren later.
Zoveel jaren na dato weet ik inmiddels dit/nog steeds niet meer: veel meer dan een half vol blauwe noten en een gigantische hap lucht had Basie daarvoor niet nodig. Om van DNA swing te (s)maken.
Ik laat verder na de epifanie van de de blauwe zee der swing in woorden te vangen, laat staan het dna dezer blauwzee te bevatten. Dat blijft toch allemaal desolaat geblaat. Want dergelijkste achteloze majesteitelijkheid, dat laat zich niet licht in woordjes vangen. Dergelijkste achtelozigheden zijn immers niet meer –noch minder- ‘een ik weet niet wat’/un no sé qué , om het met Jan van het Kruis te zeggen.
(III)
Toen Basie al op leeftijd geraakte, werd zijn vermogen om van DNA adem te maken niet minder. Integendeel. Onlangs kocht ik –voor zeer weinig; dode musici en hun ceedees worden glashard voor dumpprijzen weggezet of gewoonweg vergeten- zo’n cd: The Bosses: Count Basie meets Joe Turner .
We spreken jaren jaren later: 11 december 1973, Los Angeles. Aangespoord door producent Norman Granz tonrolt Basie de studio (MGM Recording Studios) binnen en zanger Joe Turner evenzeer. De heren hebben een gemeen verleden (Kansas City), maar die decemberdag in het land van LALA wordt er dit besloten, zonder veel woorden vuil te maken: vandaag zal het ons alleen maar smaken. Eerdergenoemde Granz -een slimme eksterjazzvogel- heeft er voor gezorgd dat ook wat oude vertrouwde KansasCity-gasten ter plekke waren: Eddie Lockjaw Davis op tenoorsax en Harry ‘Sweets’ Edison op trompet).
(IV)
Zoveel stond daar toen (1973) en ook nu (2012) nog rotsvast. Steevast gebeiteld in dna: nummers zoals Cherry Red/The Honey Dripper/ Honey Hush/Flip Flop & Fly, liedjes die veertig jaar geleden al ruim 45 jaar jong waren- smaken na al die tussenjaren nog steeds volrond: in de lucht en aan de mond van het hoorgehemelte.
Want dat bewijst mij deze CD? De afstand tussen Kansas City en LA is even verderlicht als het daarmee gepaarde tijdspad dat, daar op die decemberdag (toen ik 12 was), werd geslecht en mij–daar gaat het (mij nu even) om- onlangs eventjes even weer smaakraakte. Horen dus wat daar dus werd ontrafeld: het DNA van de blauwe zee der swing dat zich als een ik weet niet wat omsingelt.
(V)
Joe Turner zong die dag de nummertjes zoals hij dat zijn hele leven gewoon was: eenvouds verlichte wateren en rotsvast vuurdrinkend. En Basie? Ook hij speelde groefgolfzeker en dus der baren glimsgrazend. Meer nootjes suggererend dan gespeeld: zoals een ware droomspeler het ongeroomde DNA doorleeft èn –daar gaat het mij dus om- door- en omgeeft.
De blauwzee van de swing–en zeker zoals William Count Basie daarin woonde- is van een onuitputtelijke zeggingspracht, omdat het DNA daarin niet wordt verkrampt, maar volledig wordt geheeld.
Smakelijk geheten weet mij dat/smakelijk geweten heet mij dat.
Ruud de Quay





Bij een veiling van Sotheby's bleek onlangs dat The Birds of America, het legedarische vogelboekvan John James Audubon, nog steeds het duurste boek ter wereld is (het bracht 8,7 miljoen euro op). Audubon (1785 - 1851) was een Frans-Amerikaans schrijver, natuurliefhebber en kunstschilder. Hij schilderde met name vogels, en trok hiervoor het toen nog grotendeels ongerepte Noord-Amerika door. Bijzonder was dat hij de vogels op ware grootte afbeeldde (soms was het even puzzelen in welke houding het beest op het papier zou passen). Hij huurde de beste graveurs, drukkers en inkleurders van zijn tijd in om de aquarellen in zijn boek over te brengen. U vindt een exemplaar vanThe Birds of America in het Teylers museum.
De box uit 2004 wordt hier en daar aangeboden als collector's item. Wouter was gisteren in het Ambassade hotel aan de Herengracht te Amsterdam en kreeg daar een onweerstaanbare aanbieding. Zodoende hebben we een aantal exemplaren binnen, niet voor €550 euro maar voor €199.
“Godsdienst is eenzaamheid en angst, onvermogen om van dag tot dag te leven.” Het is een interessante definitie die Koolschijn tegen het eind van het boek opwerpt, als hij terugblikt op het van extremistisch protestantisme doordrenkte vechthuwelijk van zijn ouders. Het interessante aan de zin vind ik dat het boek de lezer tot dan toe, honderden pagina’s lang, minutieus op de hoogte gebracht heeft van Koolschijns eigen onvermogen om van dag tot dag te leven. Of het nu als student, vader, leraar, sportman of rector is: in iedere rol vindt hij zichzelf tekort schieten. Hij vindt pas zijn rust als vertaler Grieks op een zolderverdieping.
Ik moest aan Alain de Botton denken, die in ‘
Onlangs kocht ik van Kees Fens antiquarisch een aantal vroege opstellen over literatuurkritiek, in Van Oorschots Stoa-reeks. In de bundel gaat Fens terug naar de bronnen van de Nederlandse literatuurkritiek, ergens in de 13e eeuw. De heersende norm destijds, verwoord door Jacob van Maerlant, was dat verzonnen verhalen 'logenlike saken' waren, en daarom geen literaire waarde hadden. Alleen het 'waarachtig gebeurde verdiende literaire bewerking', aldus Fens. Vorige maand kwam Connie Palmens tweede boek over een dode echtgenoot uit:
Dat is in Nederland Robbert Dijkgraaf. Hij is ‘president’ van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en mediageniek. Daarom komt hij in De wereld draait door. Matthijs van Nieuwkerk noemt hem daar jolig ‘de baas van alle wetenschappers in Nederland’. Dat is hij natuurlijk niet, maar wel een semi-bekende Nederlander. En door zijn toedoen zullen meer landgenoten dan ooit van de KNAW gehoord hebben, misschien zelfs Henk en Ingrid wel. Maar Dijkgraaf gaat naar de Verenigde Staten, waar hij directeur wordt van het Institute for Advanced Study in Princeton. Einstein is calling!
Koos van Zomeren lees ik sinds zijn beroemde NRC-column, begin jaren ’90. ‘Nooit begrepen waarom meerkoeten meer koet zijn dan andere koeten’, schreef hij, en dat vond ik een mooie zin. Maar nu pas, in zijn nieuwe boek ‘
De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum breekt in haar boek Niet voor de winst een lans voor kritisch denken en verbeeldingskracht. Prachtig, zult u denken, dit zijn menselijke vermogens bij uitstek, dus dat komt wel in orde. Nee, zegt Nussbaum, die vermogens moeten worden ontwikkeld en onderhouden. Daarvoor hebben we het onderwijs, van kleuterschool tot universiteit. De vakken die die kritische vermogens bij kinderen en jongeren moeten ontwikkelen worden echter overal ter wereld wegbezuinigd ten gunste van vakken die een bijdrage aan de economische groei kunnen leveren.
En voordat je het beseft sta je dan te koekeloeren met je harde schijf van al je wetmatigheden en instrumenten. Nu is dat nooit helemaal verkeerd of zo. Maar ach, beste lezer, met enig fantastiek bewustzijn kan het leven zoveel aardiger zijn, zo veel onvergetelijk feestelijker schateren in de oren.
Tussen alle papieren in mijn tas zit al enige weken een envelop van een uitgever, met daarin een contract dat de voorwaarden omschrijft waaronder een artikel van mij in een vakblad zal verschijnen. De simpele plaatsing van een niet al te lang artikel in een vakblad met een bescheiden lezerskring blijkt aanleiding te kunnen geven voor een juridisch betoog dat langer is dan het artikel zelf. Mocht het er ooit van komen, dan zijn voor de uitruil van Joodse gebieden in de toekomstige staat Palestina waarschijnlijk nog minder bepalingen nodig. De vraag hoe ik dit artikel geplaatst krijg, zonder mijn handtekening onder dat ellenlange contract te zetten, schuif ik nog maar even voor me uit.
Billie Holiday. ik hoor u dat al zuchten: aan haar zijn reeds zoveel woorden besteed. Zoveel syllaben vol apegapen. De illusie daaraan nog wat verstandelijkst toe te voegen...Inderdaad, die gedachte laat ik bij voorbaat graag varen.
H
Even geduld ...


